Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den muur met looze kalk bepleisterden en daarna, toen hij door hunne schuld instortte te laf waren om in de bres te gaan staan (hoofdst. 13). Of wederom, die liefde voor zijn volk proeft ge bij Ezechiël uit zijne bestraffing van de vorsten, die herders die zich zeiven mestten met het vette der kudde en ondertusschen de onnoozele schapen lieten verdolen op de bergen: de zwakken sterkt gij niet, en het kranke heelt gij niet, en het gebrokene verbindt gij niet, en het weggedrevene brengt gij niet weder, en het verlorene zoekt gij niet, maar gij heerscht over hen met strengheid en met hardheid (cap. 34). Ja. somwijlen komt die liefde voor zijn volk in opstand, zou ik haast zeggen, tegen God zeiven: dan wordt het oordeel 't welk hij aankondigen moet, ook in zijn oog schier te streng, de heiligheid van Jehova al te vreeselijk; dan schrikt hij als van zijn eigen woorden en schreeuwt het, op zijn aangezicht vallende, wel uit: ach Heere Heere, gij gaat Israëls overschot gausch vernietigen (9: 8, 11:13).

Onze profeet heeft dus zijn volk wel lief, hij oogenschijnlijk zoo hard, zoo onmeedoogend streng! Maar, hij mag juist niet anders doen dan bestraffen, of liever, want voor bestraffen is 't eigenlijk al te laat, niet anders dan het vonnis aanzeggen, zonder eenige verschooning, zonder eenige hoop te laten op verzachting van dat vonnis. Uitdooven elke vonk van hoop die er nog glimt in den boezem zijns volks, — dat is zijne taak in de eerste jaren van zijn prediking;

Sluiten