Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder de heidenen, die jubelen in Israëls ellende? O, dat Israël is toch een volk als een ander volk, en Jehova een God als een andere god! Hij heeft al evenmin als een van onze goden zijn volk kunnen redden uit Nebukadrezars hand! (25:3, 8; 35:10; 36 : 2, 20 vv.).

En deze schimptaal op zijnen God, hoe zij onzen profeet door de ziel snijdt, zij is het toch ook die hem hoop geeft. Dezen hoon kan de Heilige niet laten rusten op zijne eer; Hij zal zich, zoo drukt hij het eigenaardig uit, ontfermen over zijnen heiligen naam (36:21). De gansche aarde zal weten, dat ik Jehova ben: daar moet het heen; dat is bij Ezechiël telkens weer het motief van al wat God doet. En om de wereld tot die erkentenis te dringen zal Hij eens zijn volk terugbrengen in Kanaan en herstellen in zijn staat, dat alle heidenen het mogen zien, hoe Hij ze heeft overgegeven in 's vijands hand, niet uit onmacht om te helpen maar uit toorn over hun schuld.

Ziedaar het fondament waarop Ezechiël zijne verwachting bouwt. Gij beseft nu, hoe stevig die staat. Men mag hem nu allerlei tegenwerpen: Israël is dood, Israël is onbekeerlijk, Israël heeft alles verbeurd, — het moge zijn en hij zelf geeft het u gewonnen, het doet zijne hoop niet wankelen, want immers: ik doe het niet om uwentwille, gij huis Israël, maar om mijnen heiligen naam!

Sluiten