Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in deze laatste hoofdstukken, het is genoeg als wij verstaan, welke geest zich in deze regeling uitspreekt. En deze geest is met één woord te karakteriseeren: wat in alles doorstraalt, dat is de poging om het heilige werkelijk heilig te houden.

Zie, dat is de groote grief van Ezechiël tegen het vroegere Israël: het heeft het heilige niet heilig gehouden, integendeel, het heeft het heilige en het onheilige vermengd. Het heeft zijn eigen karakter verloochend en zich gelijk gemaakt aan de volkeren. Het heeft de grens uitgewischt tusschen Jehova en de goden der heidenen, en op de hoogten des lands Jehova gediend met Baiil en Moloch te zamen, alsof er geen onderscheid ware. En ook de tempel op Sion, het aan zijn naam gewijde heiligdom, is niet heilig gehouden: daar heeft men Kanaiinieten laten binnenkomen en den dienst laten verrichten, daar zelfs afgodsbeelden durven stellen, daar heeft de koning zijn paleis gebouwd, beiden tempel en paleis door één muur omvattende; daar heeft hij naar willekeur vaak beschikt over het altaar alsof hier de luim van een aardschen en niet enkel de wil van den hemelsehen Koning moest gelden. In één woord, het oude Israël heeft voortdurend de heiligheid van Jehova vergeten, onteerd, haar neertrekkende tot het peil van afgodsdienst. Het heeft niet gevoeld, dat hij was Jehova, de Eéne, de Heilige; vandaar die gruwelijke vermenging van het heilige

Sluiten