Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met het onheilige, van zijn dienst en den dienst der afgoden, van den tempel en het koningspaleis, van het heiligdom en de wereld.

Zoo ziet onze profeet zijns volks zonde. En als er nu één ding in zijne wetgeving duidelijk is, dan is het dit: hij wil in de toekomst gewaakt hebben tegen deze zonde die zijn volk verdorven heeft. Het heilige moet heilig, God moet God blijven, Jehova moet worden geheiligd. Alles in Israël moet van die heiligheid zijns Gods den stempel dragen. Heel het volksleven, heel de inrichting van den staat, heel de verdeeling des lands zelfs, — het moet alles den indruk geven van het bijzondere, het uitverkorene en afgezonderde; het moet hier anders zijn dan overal elders, want het moet laten zien dat de Heer aldaar is. „Jahwe-sjamma, Jehova is daar" (48 : 35), dien naam draagt de nieuwe stad van Ezechiëls visioen, en die naam moet nu te lezen zijn op alles.

En hoe zal dat mogelijk wezen? Hoe zal de heiligheid Gods erkend worden ? Hoe zal het heilige waarlijk heilig kunnen blijven, wanneer het in het aardsche optreedt?

Hier geeft Ezechiël nu een antwoord, dat later weerklank heeft gevonden bij zijn volk. Het is dit: het heilige zal heilig blijven, als het op zich zelf blijft staan. Laat er een grens zijn, scherp geteekend, streng bewaard. Afzondering, omtuining van al wat heilig en goddelijk is, — zietdaar het wachtwoord van onzen

Sluiten