Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo goed als een Jezaja en een Jeremia, weten het, dat de ware godsvrucht ontspringt uit Gods heiligen Geest, zoo vrij en zoo frisch als de fontein opbruischt uit de diepte. Maar nu willen een Amos, een Jezaja dat levend water zich zelf een weg laten banen, zelf een bedding laten zoeken, waarin het verder zal strooien, terwijl Ezecbiël het noodig acht kanalen te delven en dijken aan te leggen, opdat het levend water daardoor geleid, daarin bewaard worde, uit vreeze dat anders misschien de stroom verzande en zich verlieze in de woestijn dezer wereld.

Sluiten beide beschouwingen elkander onverbiddelijk uit? Of kan niet de eene de andere aanvullen en voor eenzijdigheid behoeden? Kan niet elke op haar tijd gelijk hebben?

Ezechiël althans had goed gezien voor zijn tijd en zijn volk. Waarlijk, dat was de zonde geweest van Oud-lsraël, de vermenging van het gewijde en het gemeene; daartegen allereerst diende in de toekomst gewaakt. Daarom moest Israël omheind worden, het moest op zich zelf gesteld worden, opdat het, tot zich zelf komende, zijn eigen karakter zou erkennen en alle aandacht concentreeren op dit eene: de heiligheid van zijnen God, Jehova. Dat hebben de mannen der Synagoge, de Schriftgeleerden, van onzen profeet geleerd. Niet in alle de bijzonderheden is zijne grondwet het richtsnoer geworden voor het volk na de ballingschap, doch de geest die hem bestuurde, het

Sluiten