Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebleven, al die jaren; Babel, hun onderdrukker, was groot en machtig, en niets duidde op een verandering in de wereld, die een omkeer ook in hun lot zou kunnen bewerken. Zij zagen op naar den hemel, — de hemel welfde zich strak en onbeweeglijk boven hun hoofd, dag na dag; zij riepen hunne klachten uit tegen dien hemel, — die klachten schenen te vervloeien in het ijle niet, geen antwoord kwam van boven. Het was de kreet hunner zielen, zoo roerend door onzen profeet vertolkt: „och of gij den hemel scheurdet en nederdaaldet, terwijl de bergen voor u sidderden .... om uwen naam bekend te maken aan uwe vijanden, zoodat natiën voor u beven, wanneer gij geduchte dingen doet, waarop wij niet durfden hopen." (64 : 1—3). O, een teeken dat God onzer gedenkt! Een teeken dat wij niet vergeten zijn! Ach, de hemel is zoo ver, en de aarde schijnt ledig

van God, zoo klagen zij, tot op eenmaal hoort!

een stem weerklinkt:

Baant iu de woestijn den weg van Jehova,

effent in de wildernis een heirbaan voor onzen God;

elk dal worde verhoogd, iedere berg en heuvel zinke neder;

zoodat bulten een vlakte worden, bergkloven een vallei.

Dan openbaart zich Jehova's heerlijkheid,

en aanschouwt alle vleesch zijn heil,

want Jehova's mond heeft het gesproken.

Bestijg een hoogen berg, gij vreugdebode Sion!

verhef met kracht uwe stem, gij vreugdebode Jeruzalem!

Sluiten