Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik, Israëls God, die u bij name riep.

Ter wille van mijn dienaar Jakob,

van Israël, mijn uitverkorene,

riep ik u bjj uw naam en geef ik u een eeretitel,

hoewel gij mij niet kendet.

Ik ben Jehova en anders geen;

buiten mij is er geen god.

Ik zal u gorden ofschoon gij mij niet kendet;

opdat men het wete, van het Oosten en van het Westen,

dat er geen is behalve ik. (45 : 2—6).

Ter wille van Israël!

Dit heeft onze profeet begrepen. Dit is het waarom hij het optreden van Cyrus met vreugde begroet. Ook tegen Babel, den onderdrukker, zal de machtige straks zijne wapenen keeren en ook hier overwinnen. Dan wordt zij vernederd, de trotsche, de wreede, en slaat het uur van Israëls verlossing (cp. 46, 47, 48).

„Verlaat Babel, ontvlucht de Chaldeërs", dien blijden oproep laat rle profeet reeds weerklinken; Evangelist, vreugdebode voelt hij zich, „die vrede verkondigt, een blijmare brengt, van heil gewaagt, die tot Sion zegt: uw God is koning!" (52 : 7).

Ja, dat laatste vooral: uw God is koning! Dat gelooft hij, en daarom is hij vol goeden moed en blijde hoop. Hij ziet niet enkel de menschen met hun zonden, koningen met hun heerschzucht, volken met hun landdorst, hij schouwt boven der menschen vaak zondige, lage plannen het grootsche plan des Almachtigen. Hij ziet niet enkel Cyrus, hij ziet den Heer.

Sluiten