Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

telkens leeren, dat Gods waarheid dieper was dan wat zij ervan hadden vertolkt, dat de grenzen van zijn koninkrijk ruimer waren dan zooals zij ze hadden afgebakend.

Wat onze profeet had gezien, het was dat voor Israël nog een toekomst was weggelegd, dat het beginsel 'twelk in Israël leefde, de waarheid die onder Israël was gekweekt en gekoesterd — noem ze de ware godskennis, het koninkrijk Gods of hoe dan ook — niet zou ondergaan in de woeling des tijds maar integendeel de wereld zou overwinnen en winnen tegelijk, daar alles, ook een heidensche koning als Cyrus, moest medewerken aan de vervulling van den raad Gods. Wij zeggen dat nu in zoo abstracte woorden, doch verlang dat niet van een zoon van het Oosten, van een dichter: hij moet het zich alles realiseeren, aanschouwelijk uitbeelden. Geestelijke dingen kleedt hij in zinnelijk gewaad; het koninkrijk Gods, Gods heerschappij in de wereld, de zegepraal van de ware kennisse Gods, van gerechtigheid en vrede, — hij ziet het telkens onder de gestalte van Israëls ook uitwendig koningschap over de volken. En het heeft hem zeker wel pijn gedaan, toen die uiterlijke glorie uitbleef.

Ze was hem evenwel niet het voornaamste. Hij vergat daarvoor niet den geestelijken achtergrond, voor den vorm niet het wezen. Hij ziet zijn volk Israël ook in een andere gedaante, niet als een tweede

Sluiten