Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Israël is dus de knecht des Heeren. Doch als nu de profeet, nadenkend over het grootsche werk waartoe deze knecht is bestemd, hem tracht te teekenen, dan schetst hij een gestalte, waaraan het werkelijke Israël niet meer beantwoordt, waarop zelfs de besten uit Israël, de vromen, de profeten slechts van zeer verre gelijken. Dan verlustigt hij zich in de beschouwing van dien knecht zooals die hem oprijst voor de verbeelding, in de ongerepte schoonheid van het ideaal. Dan ziet hij hem die het recht op aarde vaststelten verre streken onderwijst, een licht der natiën, en dat niet in koningsglans, maar in nederigheid en zwakheid, ondanks zijn schijnbare nietigheid, juist door zijn lijden dat hem medelijden leert. (41:4—7).

Iets van dezen knecht had hij zeker wel gezien in de werkelijkheid rondom zich. Het waren de vromen uit Israël, de kleinen, vaak verachten maar die vasthielden aan Israëls God en bleven gelooven in Israëls roeping, — deze waren het van wie zegen uitging voor hun volk. Zij redden Israël, zij waren als een „volksbond" die Israël samenhield; zij die het kleinood van Israël niet hadden verloren in de strooming des tijds, zij bewaarden hun volk voor vervloeiing, voor oplossing in de volkerenzee.

En nog iets diepers was den profeet geopenbaard. In deze jammerdagen der ballingschap, toen vele vragen aanklopten bij de ernstige, nadenkende zielen en vele raadselen om licht riepen, drong zich zeker meer

Sluiten