Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werpingen. Met beloften van welslagen, van goddelijken zegen treedt hij ze tegemoet en dringt ze op zij. Beloften van heil, niet eerst in verre tijden, maar nabij en nu! Nog slechts een korten t ij d.. en Ik zal dit Huis met heerlijkheid vervullen, zegt de Heer der heirscharen (2 : 7,8). Van dezen dag a f zal ik u zegenen, heet het een andermaal (2: 20). Ja, nog bij het leven van Zerubbabel, den landvoogd zijns volks, schijnt Haggaï den grooten omkeer in de wereld te verwachten, blijkens de belofte tot dezen Davidszoon: te dien dage (nl. van de beroering in de volkerenwereld) zal Ik u nemen, o Zerubbabel, gij zoon van Sealtiël, mijn knecht, en maak u tot een zegelring, want u heb Ik uitverkoren, spreekt Jehova der heirscharen (2 : 24).

Zoo nabij dus lijkt den profeet de dag des heils. Maar juist, spant hij op deze wijze de verwachting niet te sterk? Zegt hij, in zijn wensch om het volk op te hellen uit zijn slapheid, niet meer dan hij kan verantwoorden? Als 't nu eens niet uitkomt!

En immers, 't is niet uitgekomen, niet zoo spoedig als Haggaï verwacht had, niet op de wijze welke hij had gedacht. Nog slechts een korten tijd, beloofde hij, maar ach! wat duurde het lang! Eeuw na eeuw verliep, en Israël bleef aan vreemden onderworpen, en Zerubbabel is gestorven, nog altoos de knecht van den Perzischen koning! De beroering der volkeren, die Israël zijn plaats zou geven aan de spits der

Sluiten