Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorspelde, was te ontdekken: alles was rustig, Jehova zweeg, (1:H, 12). De afhankelijkheid van de vreemden, van den koning van Perzië, belemmerde de bewegingen en benam den vroolijken lust tot den arbeid. Waar men anders met blijden moed aan den tempel zou gebouwd hebben, werd men nu tegengehouden door de vrees, dat men morgen wellicht reeds wegens een verbod van den Perzischen monarch het begonnen werk onvoltooid zou moeten laten liggen.

Nauwelijks toch had men de hand aan den arbeid geslagen, nog waren de fondamenten van den te bouwen tempel niet gereed, of de opperlandvoogd verscheen te Jeruzalem en vroeg op hoogen toon naar hun recht om dit werk te ondernemen: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen en dezen muur te voltooien? Slechts als een gunst werd hun toegestaan er voorloopig mee voort te gaan, tot men het oordeel van den Perzischen vorst Darius zeiven zou ingewonnen hebben. En wel viel diens beslissing straks in het voordeel der tempelbouwers uit, maar waar de vijandige naburen niet ophielden bij het Perzische hof tegen de Joden te stoken en het wantrouwen der Perzische grooten aan te hitsen, hoe licht kon daar te eeniger tijd de nu gunstige stemming van den despoot omslaan in het tegendeel! En vasten waarborg had men in het woord van een wispelturigen alleenheerscher nooit! (Ezra 5 en 6.)

Wat al bezwaren dus! Hier was volharding noodig.

Sluiten