Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overweldigt en verschrikt. Mij dunkt, een stedeling, die altoos wat verder van het boerenleven afstaat, die niet zoo eiken morgen en eiken avond er in meeleeft, in zijne vreugden en in zijne teleurstellingen, in zijn geneugten zoowel als in zijne beproevingen, — zulk een stedeling zou niet zóó onder den indruk van een dergelijke ramp geweest zijn als onze profeet blijkt te zijn. Joël moet haar van zeer nabij hebben leeren kennen; hij moet hebben meegevoeld de wanhoop van den boer, die op zyn kale akkers stond te staren, hij moet pijnlijk getroffen zijn, telkens weer, door het heesch geloei van bet versmachtend gedierte.

Welk een aanblik, zoover bet oog reikte! Een landschap, van alle kleur, van alle sieraad beroofd, eentonig, leeggeplunderd! Velden, niet meer getooid met het veelverwige gewaad van het duizendvoudige leven, maar als in rouwkleedij gehuld, gestoken in de lompen en flarden van een havelooze, die nauwelijks den dood zich van 't lijf weet te houden! De hellingen der bergen en heuvelen, anders omslingerd door de weelderige wingerdranken, tusschen wier donker loof door de zwellende trossen heengluurden, blinkend en lokkend in het zonlicht, — nu treuren en rouwen zij, met de bladerlooze, ontschorste twijgen bedekt! De vijg, de olijf in de tuinen, met witgeknaagde bast, — ze laten hunne vruchten, die zij geen sappen meer kunnen toevoeren, verschrompelen en verdrogen. De dalen tusschen het gebergte, de vlakte langs de kust,

Sluiten