Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar nog voor een paar weken de morgenkoelte het golvend koren deed ruischen, een lofzang van den ontwakenden dag den Schepper ter eere, — nu strijkt er de wind over leege akkers en klaagt door de naakte stoppels; met stommen blik, de wanhoop in het hart, dwaalt de landman over den grond, dien hij vergeefs heeft geploegd en bezaaid; zwijgend, nauwelijks bedwingend den bitteren schreeuw, die zich heen wringt naar de keel, gaat hij naar huis: geen vroolijke groet, geen opgewekt: „Jehova zegene u, Jehova zij met u" wisselt hij meer met den buurman, die hem tegenkomt: beschaamd is alle vreugde de menschenkinderen ontvloden (1 : 7—12).

En met den mensch lijden de dieren mee.

Wat steent het vee.

wat zijn de runderenkudden onrustig,

omdat zij geen weide hebben!

Zelfs de kudden van schapen en geiten zyn te gronde gericht.

Een vuur heeft de oasen der woestijn verteerd, en zelfs de dieren des velds, niet als rund en schaap verwend door de zorgende hand van den mensch, zoo gauw tevreden met de schraalheid der woestijn, — zelfs de dieren des velds komen om van honger en versmachten van dorst: woudezel en hert schreeuwen vergeefs om lafenis, want ook de waterbeddingen zijn drooggelegd; akelig en somber klinkt hun heesche roep over de doodsche landouwen.

Sluiten