Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheurt uw hart en niet uwe kleederen, en bekeert u tot den Heer, bekeert u van ganscher harte, zoo vermaant hij (2:12, 13).

En dan slaat de stemming van den profeet eensklaps om tot de vurigste hoop, dan wordt zijne profetie belofte van zegen, die rijkelijk vergoeden zal al de nu geleden schade. „Dan zijn de dorschvloeren weer met graan gevuld en vloeien de perskuipen over van most en olie." Ja, hooger nog stijgt de verwachting: die natuurlijke zegeningen worden onzen profeet symbool van de geestelijke gaven, die Jehova zijn volk bereiden zal: „na dezen zal Ik mijn geest uitstorten over alle vleesch: uwe zonen en dochteren zullen profeteeren, aan uwe ouden zullen droomen te beurt vallen, aan uwe jongelingen gezichten; ook over de slaven en slavinnen zal Ik in die dagen mijn geest uitstorten."

Zoo verplaatst zich Joël in den geest uit de ellende van zijn eigen dagen op den dag van Jehova, den „groote en verschrikkelijke." De plaag der sprinkhanen is hem reeds het voorspel van dien dag des gerichts, een van de voorboden van al de verschrikkingen waarmee die groote dag nadert. Ontzaglijk zal hij zijn, vooral voor de vijanden, die Israël hebben verstrooid onder de natiën en zijn land onder elkander verdeeld, die Israëls zonen en dochteren hebben verkocht in slavernij aan verre volkeren. In het derde hoofdstuk van zijn boek vermeit Joël zich in de schildering van het oordeel dat alle dezen treffen

Sluiten