Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daten het land rond: in elk dorp werd een Zeusaltaar opgesteld en alle ingezetenen, de aanzienlijksten voorop, werden opgeroepen om te offeren en varkensvleesch te eten. En wat het ontzettendste was voor een Joodscli hart, ook de tempel werd gruwelijk ontheiligd. Reeds in 170 was Antiochus, begeleid door den afvalligen Griekschgezinden Hoogepriester, het heiligdom binnengedrongen — hij de heiden in het huis van Jehova! — en had den tempelschat geroofd; nu, in 168, zond hij een talrijk leger naar Jeruzalem met den last het tot een Grieksche stad te maken. Hiertoe werd een deel der bevolking vermoord of in slavernij verkocht, de plaats met vreemden bevolkt, ontmanteld en door een sterken, nieuw gebouwden burg in bedwang gehouden. En den 45den Kislew (December) van dat jaar werd de dienst van Jehova in den tempel gestaakt en tien dagen later zelfs een altaar van Zeus op het brandofferaltaar geplaatst, waarop zwijnenolfers werden geslacht. Het zwijn was namelijk het gewone offer van den Griekschen god, maar het moest den echten Jood wel toelijken alsof men juist om hem te ergeren, dit olïerdier had gekozen!

Bange tijd voor allen die trouw wilden blijven aan de wet! Wat er in de harten omging, kunnen wij waarschijnlijk nog hooren uit sommige psalmen, als Psalm 74 en 79, waar de vromen klagen over de ontwijding van het heiligdom, of Ps. 44, waarde dichter durft zeggen, dat zij niet om hunne zonden,

Sluiten