Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en liefde, -— en voor den ander wordt slechts vereischt, geloof in Zijne volmaaktheid en goddelijkheid. I ie van het O. 1. stelt voor, den Verlosser na de verdwijning der zonde in Israël, — terwijl die van liet N'. T. als eenige Verlosser der zonde wordt voorgesteld ; de eerste geeft eene gehecle verdwijning der zonde te kennen, — terwijl de ander het voortbestaan der zonde juist in zich sluit. Het hoofdbeginsel van den een is God alléén en geen tusschen-persoon, — terwijl dat van den ander een Zaligmaker of Bemiddelaar tusschen God en den mensch vereischt Israëls Messias is de volmaaktheid der goddelijke natuur in den mensch, door de volkomen uitroeiing der zonde, — terwijl de Christen-Messias den mensch met God verzoent, alleen door het geloof in dezen Messias, die eeuwig door het voortdurend bestaan der zonde zal regeeren.

Doch behalve het groot verschil in karakter en hoedanigheden van deze twee tegenovergestelde Messiasbegrippen wordt vereischt, om aan den Christelijken Messias te gelooven, dat hij ten einde van zonde te kunnen verlossen, tegelijkertijd als de éénige zoon van God worde erkend, als uit eene maagd geboren, ten gevolge waarvan zij dan ook als de moeder Gods wordt vereerd.

Zoo de onmogelijkheid reeds is aangetoond, om in Jezus den Messias van het O. T. te ontdekken, men ontwaart zelfs grootere zwarigheden om in den Messias van het O. T. den éénigen zoon < ods en dat nog wel onder de bovenvermelde omstandigheden te vinden; zelfs de minste zinspeling treft men daarin niet aan, dat de Messias uit het zaad van David, de éénige zoon Gods en uit eene zoogenaamde maagd geboren dient te zijn. Wel spreken de profeten van de kinderen Israëls, als van „den eerstgeboren zoon" van God, § 10, en bezitten wij daarom als Israëlieten denzelfden eeretitel als onze stamgenoot Jezus ook bij de Christenen heeft, doch aangaande zijne uitsluitende aanspraak, de éénige zoon Gods te zijn, zijn wij verplicht ons te houden aan het heerlijk beginsel van den profeet Maleachi (2: 10): „Hebben wij niet allen éénen Vader?"

Sluiten