Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mattheus gebruikt het als de vervulling!?) van juist eene tegenovergestelde gebeurtenis, — dc geboorte van den Messias; twee tegenstrijdige voorvallen.

III. Matth. 2: 15- Statenbijbel.

„En was aldaar tot den dood van Herodus, opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heer gesproken is, door den profeet zeggende: Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen."

Hos. ll: 1. Hebr. Vertaling.

„Toen Israël nog jong was, had ik (God) hem lief, en uit Egypte noemde ik hem mijn zoon." § 16.

Deze aangehaalde woorden van den proleet Ilosea toonen zoo duidelijk dat Israël alleen daarmede bedoeld wordt, dat alle verdere verklaringen wel als overbodig kunnen beschouwd worden. Wij willen echter aanstippen, dat Mattheus het verband van het eerste gedeelte met het tweede, als aangeduid door het voegwoord „en", weglaat, ten einde de ware beteekenis te verloochenen, datÖ het enkel op Israël slaat, dat God uit Egypte zijn zoon noemde (Exod. 4: 22). Ook Mozes noemt Israël (I)eut. 14: 1): DPS 0*3- „zonen" (of kinderen) „zijt gij van den Meere. uwen God. ' § 1/.

IV. Matth. 2: 16—18. Statenbijbel.

KToen was vervuld, dat wat gesproken was, door Jeremia den profeet zeggende: Daar is eene stemme in Ramah gehoord, geklag, geween en veel gekerm. Rachel beweende hare kinderen en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn."

Jer 31: 15 Hebr. vertaling.

Eene stemme verheft zich in Ramah, weeklacht en bitter geween. Rachel beweent hare kinderen, zij is ontroostbaar over hen, omdat er geen meer over is." § 18.

Vergelijkt nu deze beide overzettingen, —het oorspronkelijke' is voor geene dubbele meening vatbaar, — de aanhaling minder duidelijk, doordat de volm. verl. tijd met den verl. tijd vermengd is, i.e. „gehoord, „beweende en „wilde;" alhoewel men in beide zien kan, dat het niets anders dan eene dichterlijke ontboezeming is. Jeremia bezigt deze weeklacht, nadat hij het droevig tafereel beschrijft van Israëls verstrooiing onder de natiën en daarna de tien verloren stammen zoekt te

Sluiten