Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI. Jes. 2: 3. „En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot den berg des Heeren, tot het huis van Jacobs God, opdat Hij ons van Zijne wegen moge leeren en wij mogen wandelen in Zijne paden, want van Zion zal de wet uitgaan en het woord des Heeren uit Teruzalem."

Voor een juist begrip van dezen tekst, welke op Jezus wordt toegepast, is het noodzakelijk het vers, dat dezen voorafgaat, daarmede te verbinden. „En het zal geschieden in den loop der tijden, dat de berg van het huis des Heeren zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en' tot dezen zullen alle natiën toevloeien.

Men ziet nu duidelijk, dat hier bedoeld wordt dat heugelijk tijdstip, wanneer het huis des Heeren, Gods tempel, voor eeuwig prijken zal op den top der bergen, boven alle godshuizen uitstekende en hooger geschat zal zijn dan alle heuvelen en elke plek der aarde. En nadat deze eeuwige tempel der waarheid, deugd en

liefde zal verrijzen — dan voorspelt Jesaja verder

„zullen alle volken heengaan en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot den berg des Heeren, opdat Hij ons van Zijne wegen moge leeren en wij mogen wandelen in Zijne paden," daar ten dien dage de Heere alléén als de ware God en Zijne wet als de éénige zuivere leer door deze volken zullen erkend worden.

Men heeft slechts op de voorspelde toestanden te letten, namelijk, de Heere alléén als de éénige God, door alle volken erkend en de eeuwige tempel van Jakobs God, die dan zal verrijzen, — en daarbij de omstandigheden te vergelijken van Jeruzalem in de macht der heidenen (de Romeinen) en het verval des tempels ten tijde van Jezus, om overtuigd te zijn, dat zonder de minste tegenspraak, deze voorspellingen op Jezus niet van toepassing kunnen zijn.

XII Jes. 9: 1—5. Statenbijbel. I Jes. 9: 1—5. Hebr. vertaling.

Het volk dat in duisternis Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien, wandelt, heeft een groot licht degenen die wonen in het land ; gezien, zij, die in het land der

Sluiten