Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den naam Israëlszie verder aan het hoofd van elk paragraaf § 59, en voornamelijk 49: 3: „Mijn dienstknecht zijl gij o Israël? ^ öO, en het laatste vers: „Ik de Heere ben uw Verlosser, Uw bevrijder, de machtige Een van Jacob." ^ 01. Verder 51 : 2 „Ziet aan Abraham uw vader en Sara die u gebaard heeft," § 62. Ook nog: „Vóór u gaat de Heere en uwe achterhoede is de God van Israël,'' § 63. Zoo gij nu dit alles met nauwkeurigheid en onpartijdigheid leest, dan kunt gij onmogelijk ontkennen, dat Jesaja in deze vijf hoofdstukken, 48—52, Israël overal in het enkelvoud toespreekt en hij daarin de gunsten verhaalt, welke zijn volk van God genoten heeft, en daarna in het volgend hoofdstuk (53) de rampen voorspelt, waarmede de Heere, Israël zal bezoeken, ter wille der verlossing der zonde onder het geheele menschdom.

Het bewijst alles behalve goede trouw, wanneer men uit een geschrift van 109 verzen, enkele daarvan uitkiest om eene zekere stelling vol te houden en dan die verklaart geheel en al in strijd met de bepaalde en zuivere bedoelingen van het geheele geschrift. Waarom haalt men de talrijke zinspelingen door Jesaja gebezigd, niet aan, van den éénigen God geen zoon, — geen knecht, — noch heilige (.jeest, — noch Drie-eenheid) als den eenigen Bevrijder daarin voorkomende? Waarom zinspeelt men niet op „het zaad ' mijns dienaars, als Jezus bedoelende, alhoewel hij geene afstammelingen had?

Aangaande de vermenging van den derden persoon enkelvoud met den eersten persoon meervoud in dit hoofdstuk, moet nog opgemerkt worden, dat Jesaja het volk Israël voorstelt als een lijdenden persoon, maar dat hij niet nalaten kan, wanneer hij van de oorzaak van dat lijden spreekt (namelijk de zonde des Volks), den eersten persoon meervoud te gebruiken, zich zeiven daarbij met zijn \ olk aansluitende, zijn eigen schuldgevoel belijdt, en ook daarin openbaart zich het nederig en liefdevol karakter van den beminden volksdichter en profeet.

Wie kan verstaan door de woorden (vers 4',: „Nochtans, onze kwalen droeg hij, en onze smarten torschte hij,

Sluiten