Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit aangetoond in 44: 9, „Dus zegt de Eeuwige, de Heere: Geen zoon van den vreemdeling, onbesneden des harten en onbesneden des vieeschcs, zal in mijn heiligdom treden van al de zonen des vreemdelings welke in het midden der kinderen Israëls zijn."

XVII. Micha 5: 5, Statenbijbel.

„Die zullen het land Assurs afweiden mtt het zwaard, en het land Nimrod's in deszelfs ingangen : alzoo zal hij ons redden van Assur, wanneer dezelve in ons lancl zal komen en wanneer hij in onze landpale zal treden.'*

Micha 5: 5, Hebr vertaling.

„Die zullen Assurs land met het zwaard afweiden en het land j van Nimrod met het bloote lemmet; en aldus zal hij ons bevrijden van Assur, wanneer hij in ons land komt en onze 1 grenzen betreedt." § 70.

\v ie ziet niet duidelijk in dezen tekst eene voorzegging aan Israël, dat wanneer Assur in hun land komt, God hem een bekwaam veldheer zou zenden, die Assur en Nimrod met het zwaard en het lemmet zal verdrijven en tot in hunne landen zal doordringen, ten einde Israël te bevrijden ? Hoe kan daarmede Jezus ooit bedoeld worden, die zoo verre men weet, nooit met het zwaard krijg heeft gevoerd en noch met Assur, noch met Nimrod in aanraking is geweest ?

X\ III. Zech. 12: 10 Statenbijbel.

„Doch over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem zal ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden en zij zullen mij aanschouwen die zij doorstoken hebben, en zij zullen over hem rouwklagen als met de rouwklage van een éénigen zoon en zij zullen over hem bitterlijk kermen, gelijk men bitter kermt over een eerstgeborene."

! Zech 12: 10, Hebr. vertaling.

„Doch ik zal over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem uitstorten den Geest van genade en der smeekingen en zij zullen naar mij opzien vooreen ieder dien zij doorstoken hebben en zij zullen over hem treuren, gelijk een die treurt over een éénigen zoon, en bitterlijk weenen. gelijk men bitter weent over een eerstgeborene. § 71.

Het geheele hoofdstuk behandelt niets anders, dan de overwinning van Israël over de volken, zie o. a. vers 8: „l.n op dien dag zal de Heere een schild zijn rondom de inwoners van Jeruzalem, en de zwakste onder hen zal op dien dag gelijk David zijn, en het huis Davids zal gelijk goddelijke wezens zijn, gelijk een engel des Heeren, die voor hen gaat." En deze volken* zullen

Sluiten