Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daags, maar gij antwoordt niet; des nachts, en niets stelt mij gerust! ' En dan ziet gij, dat het in waarheid ..een klaaggeschrei" van David mag heeten, te midden der grootste wanhoop aangeheven, toen hij zich geheel en al te midden zijner vijanden verlaten vond, en in het gebed zijn troost, hoop en kracht zocht. Het wordt verhaald, dat ook Jezus zich in zulke benarde omstandigheden bevond en ons komt het natuurlijk voor, dat toen deze woorden van den psalmist evenzeer in zijne gedachten opkwamen. Maar dat toont tevens aan, dat Jezus gelijk David, dacht, gevoelde en sprak, gelijk elk mensch in angst en nood zal uitroepen: „mijn God, mijn God, waarom verlaat gij mij," toen hij de gruwelijkste doodstraf der wreede Romeinen — en volstrekt niet der Joden, — de kruisiging had te ondergaan. En omdat ook hem booswichten omringden en zijne voeten en handen verbrijzelden, moet dit nu als bewijs dienen, dat David deze verschrikkelijke rampen van Jezus voorspelde in dezen psalm en Jezus daarom de Messias is?

Naar ons bescheiden oordeel vinden wij juist in dezen gruwelijken dood, dat niets hoegenaamd van hetgeen David door zijn klaaggeschrei en gebed vermeent verkregen te hebben, Jezus echter verstoken is gebleven. God schijnt I )avid verhoord te hebben. — doch Jezus, die zijne woorden herhaalde, werd bepaald niet verhoord, werd niet gered uit de handen ,,der honden," de wreede Romeinen. Oavid. zooals de geschiedenis getuigt, had nog eene goddelijke roeping te vervullen, namelijk, Israël van zijne vijanden te verlossen, — Jezus daarentegen had zijne taak op aarde vervuld en stierf den roemrijken dood des martelaars van het geloof. De wijze beschikkingen der Voorzienigheid leert men door de onwederlegbare gebeurtenissen der geschiedenis!

XXI. Ps. lio: l en 4. Statenbijbel.

„De Ileere heeft tot mijnen Heere gesproken, zit aan mijne rechterhand, tot dat ik uwe vijanden gezet zal hebben tot een voetbank uwer voeten.'

Ps. 110:1 en 4 Hebr.vertaling.

„De Eeuwige spreekt tot mijnen heer, zit aan mijne rechterhand, totdat ik uwe vijanden u 1 tot voetbank zette. § 78.

Sluiten