Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stad Jeruzalem en het heiligdom zal herstellen — en let wel op, want het staat er zoo duidelijk - „de' straten en grachten zal herbouwen, en „eeuwige" gerechtigheid daarin zal vestigen. Verder, dat een gezalfde koning, die dit zal trachten uit te voeren, eerst zal omkomen en geen opvolger zal hebben, zoo zal een ander dit voor hem verrichten.

Nu, waar vindt men, dat met Jezus iets van dien aard geschied is? Waren de Romeinen in zijn tijd en zijn de ongeloovigen tot op den huidigen dag, niet in het bezit van Jeruzalem gebleven? Men tracht dat getal van zeven en twee en zestig weken enz., door die als week-jaren, ieder van zeven jaren te rekenen, voor bijna vijf eeuwen te tellen, - dus eerst verandert men de weken in jaren en daarna in Sabbath-jaren elk van zeven jaren. Ook Joodsche schriftgeleerden hebben getracht zoo iets te doen, en komen tot het resultaat, dat daarmede Titus, anderen Agrippa, en weder anderen yrus bedoeld wordt $ 85, waaruit alleen blijkt dat al deze berekeningen enkel vermoedens zijn en daarvan niets zeker en bepaald kan gezegd worden, en het bewijst verder, dat dit gezicht en deze voorspelling nimmer vervuld zijn, want het is boven allen twijfel stellig en zeker, dat het heiligdom niet voor eeuwig herbouwd is en dat Jeruzalem tot nog toe een puinhoop is, ten minste daar waar de tempel stond; terwijl het in de aangehaalde teksten duidelijk te lezen staat, dat zij „voor eeuwig" herbouwd en hersteld zullen zijn en blijven. En om deze onwederlegbare gronden kan Jezus met deze zinspelingen nooit bedoeld zijn, daar hij immers tot de herbouwing van het heiligdom en de stad nimmer iets gedaan heeft

Het geheele negende hoofdstuk uit Daniël handelt over een gebed, dat hij uitsprak en hetwelk God onmiddellijk verhoorde, door hem den engel Gabriël te zenden, die, vóór hij hem met zijne boodschaap bekend maakte, — en die men in de aangehaalde verzen vindt,

hem nadrukkelijk onder het oog brengt (vers 22) * „nu ben ik gekomen om u verstandig te maken met kennis," en nogmaals zegt die engel hem (vers 23):

Sluiten