Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 18. Jer. 31 : 15 : ros" „zij beweent," de tegenw. tijd, 3e pers. enk. Wij hebben dit vers volgens Mulder vertaald, daar deze ons meer verstaanbaar voorkomt.

§ 19. Nazier, Nazireeër, Reg. 13 : 5 en 7 ; id. lc: 17 ; Amos 2: 11 en 12 „de onthoudende," wegens het onthouden van wijn, enz.; ook „de gewijde," zijnde aan God gewijd; en „de gekroonde," om reden van het laten groeien der hoofdharen.

§ 20. Tin: „ik heb gesteld," volm. verl. tijd, 1ste pers. enk. 00TC „gerechtigheid," van rad. N2T

„voortbrengen."

§ 21. pi'ï"1, van rad. „schreeuwen," nooit als

„twisten" gebezigd; pn-> „van buitenzie Gen. 19: 16; id. 24: 31 ; Ps. 41: 7.

§ 22. rcïó, „aan de waarheid", x'SV „voortvloeien," zie Pred. 10: 5; CC'Z''- „gerechtigheid."

§ 23. Mattheus haalt slechts de laatste woorden aan van vers 4, en deze geheel en al veranderd.

§ 24. Zech. 11: 12 en 13 is de eenige plaats in het O. T. waar iets aangaande dertig zilverlingen gesproken wordt.

§ 25. Daar de geheele aanhaling uit Zechar^ja door Mattheus gebezigd, geheel en al van het oorspronkelijke verschilt, zoo is het onnoodig al deze veranderingen aan te toonen.

§"26. „zij verdeelen" en „zij werpen," de

tegenw. tijd, 3e pers. meerv.

§ 27. Aangaande dezen benarden toestand van David zie II Sara. 15: 13—17.

§ 28. TH® van rad. riVtf „stellen 2T2X van rad. Cl?;, „wankelen," Deut. 32: 35.

§ 29. "123 van rad. "D3, „eeren," HC" „veiligheid," Deut. 12: 10; Jes. 32: 17,

§ 30. "rxr „het graf," Gen. 37: 35; Jes. 14:9; -pTDn „uw gunsteling," zie Ps. 30: 5.

§ 31. 'JPIT „gij zult mij doen kennen," de toek. tijd ; mnE® V2T, van rad. ITCÏ?, „vreugde," en „verzadiging van vreugde," Ex. 16: 3; Jes. 23: 18; Pred. 1:8; enz.

§ 32. Ps. 9: 18: „dat de goddeloozen ter afgrond varen;" id. 49: 15: „als eene kudde varen zij naar het

Sluiten