Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 99. rvr\ „en gij zult een zegen zijn," letter¬

lijk : „en zijt een zegen," de geb. wijs, in plaats van toek. tijd, daar hier bepaald te kennen wordt gegeven: dat hij zelf een „volkomen" zegen zijn zal.

§ 100. Matth. 8: 11; Luk. 1; 73; id. 13: 28: id. 16: 24; Joh. 8: 40 en 56; Hand. 7:2; Rom. 4: 16; Gal. 3; 9; Jak. 2: 23: Hebr. 6: 14: id. 11 : 8 en 17.

§ 101. Ook dit verhaal van Izak's offerande wordt door de joodsche Schriftgeleerden als moeielijk te verklaren beschouwd, want het schijnt met de Alwetendheid en Liefde des Allerhoogsten te strijden, om den godvreezenden Abraham aldus te beproeven, wetende dat hij in alles zijn God zou gehoorzamen. Zie daarover § 95. Eene figuurlijke verklaring van deze offerande is, „het offer der rede op liet altaar des geloofs." Abraham stelt het geloof en Izak als de onteugelbare jeugd, de rede voor, en deze onderwerpt zich aan het geloof; en beiden, — geloof en rede, — moeten in den godsdienst te zamen gaan. Zie Gen. 22: 6 en 8.

§ 102. Abarbanel verklaart deze woorden: „alle volken zullen zich vereerd en gezegend beschouwen, dat door u en uw zaad de ware God geopenbaard is."

§ 133. Satan, van rad. tegenstaan. (Ps. 38:

21) ; vervolgen (Ps. 109 : 4), vijandig zijn (Ps. 71: 13); aanklagen (Zech. 3: 1); hindernis (I Sam. 29: 4); aldus : tegenstander, vervolger, vijand, aanklager en verhinderaar; waar ook dat woord in het O. T. voorkomt, wordt het altijd in figuurlijken zin, of in beeldspraak gebezigd, en nimmer gelijk in het N. T. als zouden alle menschen aan zijne macht onderworpen zijn. In het avondgebed der Israëlieten vindt men TJO1?:- 'LD2? „Ver¬

niel en verwijder den tegenstrever van voor ons en achter ons, i. e de verleiding die vóór ons en de aanklager of kwaadspreker die achter ons gaat. Het woord „Satan" komt in het X. I". 30 maal en „Duivel" 82 maal voor.

S? 104. „De Christelijke Geloofsleer," door Ds. J. J. van Toornenberger, uitgave 1876, pag. 98.

§ 105. „De Christelijke Geloofsleer," door Ds. J. J. van Toornenberger, uitgave 1876, pag. 104.

§ 106. „De vreeze des Heeren." Het geloof in den

Sluiten