Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

63 : 16 ; Jer. 31:9; Mal. 1 : 6; id. 2 : 10: Ps, 68: 5; id 89: 27; id. 103: 13; I Kron. 17: 13; enz.

§ 114. Gen. 17 : 1 ; Deut. 18: 13.

§ 115. Lev. 19 : 2; id. 20: 7; Num. 15: 40; enz.

§ 116. Het is eene Rabbijnsche stelling, dat alhoewel 's menschen zedelijk karakter op de vrijheid van handeling berust, deze echter in zijne wenschen en daden zichtbaar is, en dat zijn zedelijke natuur geopenbaard wordt vóór de uitoefening van eigen keus en wil, door een begrip van kennis van het goede; de wil is daarom de tweede stap in zijne ontwikkeling. Zij beschouwen dat niet God, doch de rede de bindende en hoogste macht der zedelijkheid is, want zelfs een goddelijk gebod moet dikwerf veronachtzaamd worden. Zie Prof. Lazarus „Ethik des Judenthums," hoofdst 2.

Sluiten