Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hunne misdaden op zich nam, krijgt dit alles beteekenis. Zoo duister zijn toch de voorzeggingen niet van den profeet Evangelist des O. T., Jesaja.

Oehler heeft gezegd van Jesaja's Messias-idee : „Het oog van den profeet beweegt zich trapsgewijze als uit de breede basis der domkerk tot den duizeling verwekkenden hoogen top, waarop het kruis is geplaatst. Hoe meer het dien top nadert, des te duidelijker onderscheidt het de omtrekken van het kruis en daar gekomen rust het uit, want het heeft bereikt, wat het bedoelde toen het den eersten trap besteeg " _

Dat is een goed beeld der zaak Hier in het midden van het boek 'jesaja heeft het begrip van „den knecht des Heeren" (knecht van Jehova) zijn toppunt bereikt. De Messias-zaden, aanvankelijk in het geheele volk verborgen, zijn daaruit na eene groote gedaante-verwisseling

om'hoog gerezen. Uit deze samenstelling volgde reeds het aan* het Messias-beeld tot dusverre vreemde begrip der mystieke vereeniging van hoofd en lichaam In den knecht des Heeren ziet gij Israël verpersoonlijkt in

zijne reinste gestalte.

Een tweede Messias-begrip van Jesaja is reeds voor hoofdst. 53 duidelijk, op te maken, nl. het drievoudig ambt van Koning, Priester en Profeet. 1 Iet beeld van Messias is ook in de hoofdstukken 7 12 nog dat van een Koning waarmede dat van Profeet gelijk Mozes Deut. 12: 15 bedoeld was, niet vereenigd is. Volgens hoofdst. 42, 49 en 50 is „de knecht van Jehova" in de eerste plaats Profeet en als verkondiger eener nieuwe leer als Middelaar vaneen nieuw verbond, een 2e Mozes, maar aan het einde van zijn loopbaan ontvangt hij de hulde van koningen. Daartusschen ligt zijne zelfopoffering (Jes. 53), op grond waarvan hij verheerlijkt heerscht als^Priester-Koning naar de ordering van Malchizedek.

Voorts blijkt nog uit geheel Jes. 53, dat het lijden den lijder niet bloot als onafweerbaar lot overkomt, maar dat hij alles vrijwillig op zich neemt. Zonder dat toch kan er geen sprake zijn van wat in vers 11 en 12 wordt gezegd. Want aan het ondergaan van een lot is hoegenaamd niets verdienstelijks.

Sluiten