Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 0°k Ps. mag ik niet vergeten (volgens anderen Ps. 1.) De Apostelen van Jezus hielden dit krachtig en prachtig dichtstuk voor een geschrift van David.

Zeker, de Oostersche beeldspraak is rijk en somtijds stout, maar wie Ps 2 zou toepassen op David of op wien ook van zijn geslacht, behalve op Jezus, zou toonen geen eerbied te hebben voor de heilige beeldspraak Wel weet ik, dat Israël als volk „Gods zoon" wordt genoemd en zelfs David en Salomo die eerenaam, als gunstelingen Gods, wordt gegeven, maar eischen als aan Israël en de volken tegenover „den zoon" in Ps. 2 worden gesteld, kunnen op geen enkel Vorst wijzen, dan op Vorst Messias, wien „te vertrouwen" volkomen zaligheid aanbrengt.

Om niet alle profetieën omtrent het koningschap van den Messias tc vermelden, wil ik alleen nog' wijzen op het kleine boek van Zacharias, den zoon van Berichja, die in zijn rijken inhoud een duidelijke voorstelling geeft van het karakter, het lot van den Messias en het heil dat deze aanbrengt. Voor het oogenblik alleen zijn koningschap volgens Zach. 9: 9, waarvan ik meen in Matth. 21:5 de vervulling te zien en niet in een der koningen die ooit over Israël geregeerd hebben. Was reeds in hoofdst. 6 : 12 de man wiens naam „Spruit" is voorgesteld als Koning-Priester, vers 13, in 9: 9 is Hij de Koning van de Dochter Zions, die aan de in ellende zijnde Israëliërs hulp en redding brengt en wiens regeering zich zal uitstrekken „van zee tot zee en van de rivieren tot de einden der aarde." Wie was als Vorst zoo „arm als Koning Jezus? Deze is het dien wij als Koning vereeren, Koning van het Godsrijk in deze wereld. O, ik weet het wel, Israël verwachtte een aardschen koning, maar had Israël niet beter kunnen weten? Immers de gedurige herhaling van een „eeuwige heerschappij en dat „zijn rijk geen einde zal hebben," zie I )avid nog, kon toch het oog openen om aan een hemelsch of geestelijk koningschap te denken. Gewis is zijn koningschap gebleken, niet slechts in het stichten van eene gemeenschap der geloovigen, voor wie Hij bondregelen verordende, Matth. 18: 18—20 en 26:26,

Sluiten