Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— ik zoude het anders geven. — brandoffers verlangt gij niet. Gods offers zijn : een gebroken gemoed ; een gebroken en verbrijzeld hart, o God! versmaadt gij niet." § 38.

Wederom maken wij u opmerkzaam, dat David in dezen psalm van zondebekentenis en boetedoening sprekende, het gewicht van offeranden op de meest stellige wijze ontkent, want niet alleen betuigt hij, dat God ze niet begeert, noch verlangt, — maar hij voegt daarbij: anders zoude ik ze geven, i e. zoo ik er niet van overtuigd was, dat Ciod geene offerande verlangt, zoude ik ze gaare brengen, maar mij is verboden zulks te doen, daar God ze niet begeert en aldus weigert aan te nemen. Hoor, hoe vurig hij bidt: „Red mij van mijne bloedschulden, o God,de God mijns heils! Schep mij, o God. een rein hart en geef mij op nieuw een vasten geest Heere! open mijne lippen, dat mijn mond uw lof verkondige !" En met denzelfden geestdrift en innige overtuiging verklaart hij, dat al zijne overtredingen niet door zoenoffers kunnen kwijtgescholden worden, doch enkel en alleen „door een gebroken gemoed, een gebroken en verbrijzeld hart."

En andermaal maakt gij gebruik van deze stellige ontkenning van de waarde van offeranden in het oog des Heeren, door David verkondigd, als eene zinspeling op Jezus, en in zijn offer aan het kruis vervuld. Wij willen niet in herhaling treden, door u van het verkeerd begrip uwer uitlegging van Davids bedoeling te overtuigen, doch verwijzen u slechts naar de slotwoorden van dezen Psalm: „Dan zult Gij welgevallen hebben aan de offers der gerechtigheid, het volmaakte brandoffer, dan zullen uw altaar bestijgen de ware offers. $ 38

Ps. 89. Dezen psalm beschouwt gij als een voorspelling van ]ezus' hemelsch koninkrijk ; de vervaardiger daarvan is zelfs David niet, doch Ethan de Ezrahiet, een broeder van Heman, die den vorigen Psalm (88) schreef, die voor een tijdgenoot van koning Hizkaja wordt gehouden. Dat hij nimmer een profeet was, behoeft geen betoog, bovendien verklaart dit de schrijver zelf, want in den aanhef van den psalm (vers 1) noemt hij dien „een leerdicht."

Sluiten