Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4, Het Joodsohe Messiasbegrip.

Het groote verschil tusschen het Joodsche Messiasbegrip van het O. T. en dat van het N. T. is voornamelijk hierin te vinden, dat niets, wat naar eene willekeurige hemelsche heerschappij zweemt, in het Joodsche * begrip ligt opgesloten, terwijl met het denkbeeld van Christus als den Messias juist liet tegendeel het geval is. Het is een algemeen beginsel in het Jodendom ^ 52, dat God aan de profeten zelfs de toekomst aangaande den Messias op aarde geopenbaard heeft, doch aangaande de toekomstige wereld in den hemel, „dit heeft geen oog gezien, dan gij, o God!" (Jes. 64: 3 en 4) wat wil zeggen, dat het leven na den dood het menschelijk begrip te boven gaat Van dit denkbeeld uitgaande hebben onze Rabbijnen de volmaakte gelijkstelling van alle stervelingen na hun dood verkondigd, ^ 53 : „God ontzegt aan geen zijner schepselen" (een zalig leven in den hemel) „Hij ontvangt allen, de poorten* zijn altijd open; wie wil ^ 54 kan binnentreden. ^ 55. „De liefde en daden van weldadigheid der heidenen zijn middelen tot verzoening en vergiffenis, gelijk de zoenoffers in Israël waren." Ook David uitte deze gevoelens, als in Ps. 16: 11: „Voor uw aangezicht is verzadiging van vreugde, liefelijkheden zijn in uw rechterhand, eeuwiglijk," i. e. niet alleen voor hem, zijne nazaten en zijn volk, doch vreugde en liefelijkheden voor eeuwiglijk, P33, tot „liet uiterste toe," ^ 56. Ps.

04; 3 5 ; „Wie mag den berg des Heeren beklimmen,

wie op dé' plaats zijner heiligheid staan? Wie rein van handen en zuiver van harte is," enz. „Hij ontvangt zegen van den Heere, en genade van den God zijns heïls." Een ieder kan gelijk Mozes, den berg des Heeren beklimmen, en gelijk Aaron in het allerheiligste staan; deugd, rechtvaardigheid enz. worden daartoe vereischt, en hij ontvangt zegen van God op aarde en Zijne genade in den hemel. Doch voornamelijk is de Rabbijnsche stelling in den mond van eiken waren Israëliet : „De vromen onder alle volken hebben deel aan het toekomstige leven" of de zaligheid. § 57.

Sluiten