Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal de volken richten," enz. „en het eene volk zal tegen het andere volk geen zwaard meer dragen en zij zullen zich in den oorlog niet oefenen." Aldus geen zwaard, noch oorlog onder eenig volk op aarde. Jes. 60: 17 : „Ik zal vrede stellen als uwe overheid, en gerechtigheid als uwe opzichters." Geen andere heerschers dan vrede en gerechtigheid. Jer. 33: 6: „En ik zal hen doen aanschouwen overvloed van vrede en trouw." In plaats van vervolging en vernieling, overvloed van vrede en trouw. Zulk een Vrede vorst beloofden de profeten en een dusdanige werd daarom door Israël verwacht, zulk een tijdperk van algemeencn vrede is nog het Messiasideaal van het Joodsche volk.

In uwe verklaringen, dat Jezus als de Messias, de hemelsche Koning § 61 is, drukt u zich aldus uit, „O, ik weet het, Israël verwachtte een aardsch koning § 62, maar had Israël niet beter kunnen weten ?" Met allen eerbied vermeten wij ons u te zeggen, dat de onkunde niet aan de zijde van Israël is, doch vergeef ons de vrijheid, gij hebt ons het voorbeeld daartoe gegeven, — gij kent Israëls Messiaansche verwachtingen niet, want met uw Messias-leer kunt gij ze niet begrijpen. I)e orthodoxe hervormde kerk toont daarvan even veel kennis te bezitten als van het Joodsch geloof aan één eenig goddelijk Wezen, dat geheel en al op zijde wordt gedrongen door de leer der Drie-eenheid. En dat Joodsche eenheidsbegrip aangaande de Godheid bevat het Messias-ideaal der eenheid des menschen.

Gij toont liet niet te begrijpen door te zeggen: „de zonde kan immers nimmer vergaan." Uw Messias-leer van een zonde-Verlosser, verplicht u aan het eeuwigdurend bestaan der zonde te gelooven, en de beteekenis die gij aan zonde geeft, is wezenlijk „misdrijf" § 03. Men spreekt van „het deksel op het aangezicht van den Jood" en betreurt zijne onkunde, want de Christelijke wereld gevoelt de verhevenheid niet, om aan dat Messiaansch ideaal te gelooven, daarvoor te leven en te werken; dit verhindert echter den Jood niet, om in zijne verheven verwachtingen te volharden, altoos biddende

Sluiten