Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want het denkbeeld, dat God een mensch in verzoeking brengt, druischt tegen de volmaakte rechtvaardigheid en liefde van Godin. In tegenstelling daarvan bad Mozes (Ps. Q(): 12) : „Leer ons onze dagen tellen, dat wij een wijs hart erlangen j" en Salomo sprak (Spr. 30 :8): ,,\ erwijdei van mij ijdelheid en valschheid." Daarop volgt: „maar verlos ons van den booze' ; dit is uit Ps. 119. 133 , en het geheele slot is -woordelijk uit I Kron. 29: 11.

§ 3. Hladz. 22, die de Eerwaarde Schrijver hier aanhaalt, is die van het manuscript, en is in dit gedrukt

werk Punt 14.

§ 4. Wij meenen door ons uitvoerig betoog over Jes. 53 volkomen bewezen te hebben, dat alles in dit hoofdstuk voorkomende, op Israël alléén van toepassing is. Het bewijst hoegenaamd niets, indien men eenige woorden daarin vindt, die men ook op anderen kan toepassen; hei geheel moet aan de veronderstelde persoon als toepassing beantwoorden.

§ 5. Ook hierin ziet men, dat Jezus stiptelijk de loódsche gebruiken volgde, want in dezen tekst verhaalt Lukas, dat Jezus zijn Sabbath had onderhouden en gelijk nu nog het gebruik is in de Synagoga, aan een Joodschen bezoeker of vreemdeling, de Haftora, of eenige verzen uit de boeken der profeten te laten voorlezen.

^ 6. Dat dit vers op Joshija slaat, ten tijde der opbouwing des tweeden tempels, bewijst verzen 10 en 11: „Neemt uit de ballingen uit Chiïdaï, uit Tobijahu en uit ledajah en gij zult er op denzelfden dag komen en gaan in het huis van Joshija, den zoon van Sephanja, die daar uit Babyion zijn aangekomen. Neemt zilver en goud en kronen en zet die op het hoofd van Joshia, den zoon van Jehozadak, den hoogepriester."

^ 7. Wij erkennen de schoonheid van dit gebed, ook daarom, wijl Jezus gebruik maakte van verscheidene teksten uit het O. T. o. a. vers 2, uit Dan. 7: 14; vers 3, uit Jes. 53: 11 en Jer. 9: 23; vers 6, Ps. 22: 23, enz.

§ 8. Koëh, of Chozeh en Nasi. De beteekenis dezer woorden zijn als volgt: rN'-*, Roëh, ziener; rrn Chozeh, „aanschouwer" en zijn namen waarmede de Nabi, „profeet" in het O. T. aangeduid wordt. —

Sluiten