Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ANTWOORD.

VIERDE BRIEF.

WelEerwaarde Heer!

Gepasseerden nacht ... § 1 begon ik uitvoering te geven aan het reeds eenige dagen te voren genomen plan, om inzage te nemen van uw tweede stuk „verdediging is geen aanval." Onder het lezen kwam het mij voor, dat u handelde met Jezus op de manier van Koning Herodes, die Hem zijne eigen kleeding liet ontnemen en een purperen mantel aandoen.

Eerst ontdoet u Jezus van zijn historisch kleed en fabriceert Hem dan een historischen rok—ik weet niet uit welke bronnen — om Hem dan ook den profetenmantel te ontnemen, enz. enz., en roept dan, voldaan over uwe vinding, ecce homo! of de Jezus van Rabbijn Chumaceiro.

Wie die mensch is, weet ik niet, ik ken hem niet; maar in elk geval niet mijn Jezus, mijn Zaligmaker! Het schijnt mij een homme cameléon te zijn. Op dezelfde manier als honderden -anen, -ieten en -isten doen en dan zeggen : „Jezus was socialist," „Jezus was enz. enz.

Ik las het stuk tot het einde van bladzijde 6. Verdelging het niet, natuurlijk!!

Mijne aanhaling van Jer 13: 23 ten bewijze der algemeene zondigheid (die natuurlijk niet alleen Sem s nakomelingen, maar ook die van Lhain en Jafeth insluit) schijnt u opgevat te hebben , als eene beleediging aan uw adres of aan de Israëlieten. Zoo eene opvatting over „algemeene zondigheid begrijp ik niet. Als er eene beleediging in dien tekst is, dan is die in elk geval

Sluiten