Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat daarnaar zweemt is speculatief of theoretisch; de mensch bezit hoegenaamd geene kennis, noch verzekering van de natuur en staat der ziel na dit leven. Waar dit ook in bijzonderheden behandeld wordt, is het niets meer dan verbeelding, welke het geloof als dogma aanneemt. Het Jodendom verkondigt de onsterfelijkheid als een zijner geloofsartikelen, doch verwerpt alle dogmatieke stellingen, hoe zich die onsterfelijkheid in iederen mensch zal openbaren.

§ 28. Ezekiël in 47: 21—23 beschrijft den toekomstigen Joodschen staat, gelijk hij dien zich voorstelde; hetgeheele land zou het eigendom der inwoners zijn, als het ware in leen van God, verdeeld tusschen de stammen Israëls en hunne familiën, en de vreemdeling zal zijn deel bezitten onder den stam waar hij inwoner is, „en waar de vreemdeling zich ophoudt, daar zult gij hem zijn erfdeel geven."

§ 29. In den brief van den eerwaarden schrijver is dit woord „zij" als onderlijnd aangehaald, wat echter in ons manuscript niet het geval was, en waardoor het schijnt als of wij daarmede eene bedekte bedoeling hadden. Ter wille onzer verdediging kunnen wij dit feit niet onvermeld laten.

§ 30. Wij vertaalden: „moogt gij ook goed doen, die aan het kwaad gewend zijtvan rad. mogen, Gen. 43: 32; Deut. 12: 17; "nc1? van rad. T-1? gewennen, Jer. 2 : 24.

§ 31. Elke inbreuk op den eerbied zijnen naaste verschuldigd, is een ongeoorloofde aanval, die den verdediger het recht schenkt, den aanvaller met zijne eigen wapenen te bestrijden. De vergelijking was eerst door hem gebezigd en dit gaf ons het recht deze woorden te herhalen, daaraan onze verklaring te geven en ook op anderen toe te passen.

§ 32. Matth. 10 : 2-1—25: „De discipel is niet boven zijn meester; noch de dienstknecht boven zijnen heer," enz.

Sluiten