Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze had even onwillekeurig de redeneringen van haar zuster gevolgd zoals die ze afhaspelde de dagen door. Ze had die woorden laten vallen op de toetssteen van haar gemoed en bevond dat hun klank niet de hare was. Toch, wat baatte het? Haar zuster had ten slotte gelijk: hoor! hoe die jongens tieren! Al de vrok en haat tegen de mensen keerde terug, werd opniew een werkelikheid. Maar ook geen herinnering aan liefderijke behandeling had haar vertederd, deze tijd lag zo diep in het verleden dat zij hem niet eens bereikt had tijdens de korte wijle dat het haar vergund geweest was te mijmeren.

— Wat heb je gij je daarmee te moeien? schoot zuster uit, je zoudt ze nog in je gezicht laten slaan.

Stiena antwoordde niet, de ruwe uitvallen van haar zuster was ze gewoon en ze sprak zelden tegen. Had zij niet steeds gelijk? Het was droevig dat er daar niemand onder die menigte was . . . nee, tegenover geweld moest geweld gesteld worden. Niettemin, haar vrok verging plots, ze voelde geen woede meer tegen die schrewende bende buiten, ze werd onbeschrijfelik treurig. Wat was het eenzaam, verlaten en koud hier, en, dat het zo moest

Sluiten