Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in roten, de koppen knikkend, de huizen langs. Alleen de jonge meisjes schetterden kleurig en droegen wandelende bloemtuilen tussen het zwart en de grafachtige huizewanden.

Van hieruit leek alles dood want het geluid van het mensegeweld drong niet tot hem door. Het scheen als aanschouwde hij een oude schilderij zoals hij die dikwels in de muzeums begluurd had. Een blijde inkomst ergens met honderde mensen er op in bonte wemeling, maar stil en doof en zonder geweld, een dode wereld.

En het scheen hem zo dat ook al deze lieden reizigers waren als hij, vreemdelingen in de wereld, die ongemerkt opkwamen en verdwenen. Maar vooral die ouden die ginds stonden, schenen hem zo wijl ze met hun oude ogen de ruimte inblikten, ernstig, als bevangen door vrees, eenzaam en gezapig, als ware hun bestaan door de tijdmeter niet te bepalen. En hij meende hun half gedoofde stemmen te horen als een gerul in de dommering van een noeneslaap wanneer de tijd niet bestond, een gerul dat alzo ewig duurde.

Waren ze allen geen vreemdelingen op de wereld? Allen die hij ooit had liefgehad waren

Sluiten