Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wenkbrauwen en was kwaad omdat iemand te vinden was die haar niet afstiet. Het was een heftige tweestrijd, ze werd door zijn genegenheid bedwelmd en verloor alle kracht tot verzet. Ze had nog geen woord gesproken. Hij hernam weer:

— Als ge wat uitgerust zijt, zullen we samen dragen!

— Als 't je belieft! antwoordde ze toen heel zacht.

Ze bleven beide nevens elkaar staan met de zak tussen hen. Langs weerskanten van de weg was een haag, geen woningen in de omtrek en ook geen lieden in 't zicht. Dat was maar best voor Stiena, want een plotseling schaamtegevoel had haar nu aangegrepen met het volle bewustzijn van al het kwaadaardige dat men uit haar toestand zou afleiden omdat zij dit zelf deed van anderen. Ze dierf niet naar hem kijken, hij zei niets, ze zwegen dus beiden. Ze voelde dat hij evenals zij de baan optuurde, maar daarom was ze niet geruster, zijn tegenwoordigheid was als een dwang op haar wezen en toch was die dwang vermengd met iets vreemdzoets zoals ze dat nog nooit ondervonden had. Het was alsof ze kou had en zich koesterde in verwarmende

Sluiten