Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlak in haar ogen, ze sloeg de blikken niet neer. Haar mond vertrok zich krampachtig en in haar ogen lag een warme glans, haar bleke wangen beefden; en heel haar zwakke gestalte werd geschud en geslingerd. Het was hem aardig te moede en hij lachte volstrekt niet. Hij geloofde haar rechtzinnig en hij was ontwapend, wist niet wat zeggen, voelde dat zijn gezicht in een bedwongen plooi lag.

Stiena had haar tegenwoordigheid van geest voelen terugkomen en was nu wel een beetje beschaamd over haar vrijpostigheid. Het ging voorbij omdat hij het zo goedig opnam, het moedigde haar aan zelfs. Ja, hij was goed, waarom zou hij zich niet bekeren? Dan zou niemand hem nog haten.

— Eindelik vroeg hij: — wat noemt ge een heiden? ik doe niemand kwaad en bemin mijn evennaaste gelijk mijn eigen zelf!

— Maar je kent ons Heer niet en de heilige kerk!

Het antwoord liet zich weer wachten.

— Nogtans wist hij wel wat zeggen, de woorden verdrongen zich op zijn lippen. Maar het ging hem nu niet. Hij was zonderling te moede. Die hele eenzaamheid drukte hem met al de herinneringen die ze wekte. Het

Sluiten