Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de overleden stasieoverste van Moortzele, Degraeve, die aan letterkunde gedaan had en zich reeds een naam begon te maken. Maar de man had zich ook dood gewerkt, hij had zijn roekeloosheid met het leven betaald.

Bollekens dampte heftig. — 'n Mens heeft nooit 'n rustig ogenblik, zei hij nog, de rijken zijn weeral de beste.

De sjef van de volgende spoorhal kwam nu ook binnen met z'n vrouw.

— Soort zoekt soort! zei hij.

— Stoel je, zei Fred.

De niewaangekomene die 'n blozend-lachend gezicht had, trok eens aan zijn pijp en vroeg:

— Over wat hebben we 't ? artiekel zoveel van de „Manuel", of over 't breken van 'n speek aan 'n masjien, of over de „primes" ?

— Neen, zei Bollekens, we vinden dat we wel 'n beetje tijd mogen hebben om ons met andere dingen bezig te houden.

— Ja, da's waar, zei de man, we zijn voor niets anders meer goed dan om over reglementen en orders te zagen, te staan vloeken aan de telegraaf en ons tot troost 'n stuk in ons botten te drinken. Ik kan zelfs de gazet niet meer lezen, 'n Mens verbeest helemaal.

Van Riebeeck, met zijn gewone achterdocht,

Sluiten