Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog een appeltje voor de dorst gespaard had, genoeg om met twee te leven als er nog een weinig bijkwam. Ze vertelde dat ze hier zo enig woonde, dat ze van geldzaken, jammer genoeg, weinig kende, dat ze schrik had voor dieven.

Van Riebeeck vond dat dit alles waar was maar dacht er geen ogenblik aan waar ze heen wilde. De weduwe weifelde, sprak nog wat over-en-weer, en kwam eindelik maar met haar vraag voor de dag; toen was hij stom van verbazing.

Hij werd nu nog maar helemaal zich zelf en vatte alles goed, de ruimte en de ewigheid die hem loodzwaar drukte werd een worstelperk, zoals ze altijd geweest was, en rustig was men nooit.

Neen, zei hij, daarvoor voel ik niets, dat kan ik nu niet helpen. Hij dacht evenwel aan Stiena en wist dat hij loog. Neen, ik trouw nooit. Maar als ge me nodig hebt voor iets, dan ben ik daar, ge kunt mij altijd vinden.

Hij schudhoofde en zag haar aan met ontzetting. Neen, dan was de verlatenheid nog veel groter in zo'n gezelschap! Hij stond op, de weduwe vergezelde hem tot aan de deur.

Sluiten