Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deed nu-en-dan 'n kleine boetedoening. Dit viel haar niet moeilik, ze waren de overvloed niet gewoon. Alzo droeg ze gelaten de straf die God over haar had gezonden.

De zusters spraken niet tegen malkaar. Dit verdroot Stiena 't meest: er was geen beternis hoegenaamd. Ze waren altijd alleen. Ze dachten ieder in een verschillende richting en in niets was nog eenheid. Stiena dacht veel aan Van Riebeeck, wat hij deed en wat hij al gezegd had. Die dingen stonden daarbinnen ergens gegrift en gingen er niet uit. Wat hem griefde griefde haar. Ze zag hem niet meer, maar leefde met hem, niet alleen in het tegenwoordige, maar ook in zijn verleden waarvan ze veel wist. Veel onrecht werd hem aangedaan en de uitpluizing van dat onrecht deed staag haar eigen gedenken: zo heb ik ook gedaan . . . hoe zou ik gedaan hebben? Het was een altijddurend onderhoud met haar eigen, een innerlike opruiming, en dat had haar helemaal veranderd. Vroeger was het uit louter vreugde geweest, liefdevreugd, een behoefte om gelukkigen rondom zich te zien, die de waarde van haar gedrag tegenover haar medemensen bepaalde, het was een gehoorzamen aan uiterlike drang. Nu leek die liefde afgestorven, doch haar

Sluiten