Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De hele dag liepen we meest stilzwijgend en doelloos rond. We verichtten niets goeds, deden alles verkeerd. Als we de mond openden dan was het over de zaak, over het uitkomen. Het was toch wel ellendig dat een mens nog de vrijheid niet bezat een vuurtje te maken van zijn boel, dat de wet daar zijn neus moest komen in steken. En dat heten ze vrijheid! Die boel, die bekommerde ons 't minst, er was niets meer van waarde. En we 70llH?n dïjrvnnr oen Violo cnm ♦•.„UI—. I

"Wil» II VAfVWIl •

Ja, dan dachten we toch ook wat we al zouden doen met die boel geld.

De avend naderde. We waren doodmoe en konden van zenuwachtigheid toch niet blijven zitten. Daar het donkerde staken we licht aan, veel licht, want de duisternis beangstigde ons. De heilige schrik voor gendarmen die als een nachtmare weegt op onze vrije maatschappij, was ook onbewust in ons en werkte nu. Was er ergens een donkere hoek dan zagen we van die lieden staan.

Niettemin gingen wij in volle bewustzijn alle geluiden na, hoorden de een na de andere uitsterven met volle helderheid van geest, hoewel we werktuigen schenen. Even werktuigelik en toch met een klare bewustheid,

Sluiten