Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Wat is er? Wat scheelt er? vroegen wij ons af.

— Een brand! zei ik.

— O! als 't maar bij ons niet is! zei m'n vrouw opeens verschrikt.

— Kijk, kijk! riep ik weer, 't is er toch tegen! ja, 't is bij ons!

— Och here! och here! gilde m'n vrouw, en al mijn schone meubels! wel! wel! ons huis! water! water!

Ik had nog juist tijd om haar op te vangen, 'k Zette haar tegen de muur en zocht water. Een bereidwillige vrouw liep er dadelik om en we werkten samen om m'n vrouw 't bewustzijn weer te geven.

— Wat 'n ongeluk! wat 'n ongeluk, meneer! jammerde de vrouw gestadig.

— 't Is vreed! 't is vreed! zei ik steeds, dat moest nog op m'n kop terecht komen. Als ze er maar niet van sterft!

De angst was werkelik in me: we hadden immers al zoveel ontroeringen en schokken doorstaan. En dan: niets te vreten krijgen, uiterst zwak zijn.

Ik verwachtte het ook allang van m'n vrouw, ze moest vreselike ogenblikken doorstaan hebben. Als ze er nu maar niets van behield!

Sluiten