Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is het ook met mij. Ik zie beter dan iemand anders, dat wat ik hier neerschrijf slechts droomerijen zijn van een man, die van de wetenschap in zijn kinderjaren slechts de buitenkorst heeft geproefd, en er slechts een algemeen en vaag denkbeeld van heeft overgehouden ; een weinig van dit en een beetje van dat en niets van het geheel, op zijn Fransch. Want, bij elkaar genomen, weet ik dat er zoo iets bestaat als geneeskunde, rechtsgeleerdheid, dat er vier afdeelingen in de wiskunde zijn en zoo ongeveer, waar zij over handelen, en misschien weet ik nog in welk opzicht de wetenschappen beweren ons in het leven van dienst te kunnen zijn. Wat ik echter nooit heb gedaan, is: er dieper in te zijn doorgedrongen, mijn nagels te hebben afgeknauwd onder de studie van Aristoteles, dien heerscher in de nieuwe leer, of verzot geweest op een bepaalde wetenschap. Ook is er geen enkele kunst, waarvan ik iets meer dan de eerste beginselen ken. Er is ook geen jongen uit de middelklas. die zich niet beroemen kan, dat hij knapper is dan ik, die hem zelfs over zijn eerste les niet zou kunnen ondervragen. Indien men er mjj toe dwong, zou ik genoodzaakt zijn, er eenige stof van algemeenen aard uit te halen om er zijn gezond verstand aan te toetsen : dat zou een les zijn, die hem even vreemd is, als mij de zijne.

„Ik heb met geen enkel degelijk boek kennis gemaakt, dan alleen met Plutarchus en Seneca, waaruit ik put als de Danaïden, scheppende en uitgietende zonder ophouden. Ik laat er aan dit papier wat van vastkleven ; aan mezelf zoo goed als niemendal. Wat de boeken betreft zijn de geschiedkundige werken mijn wildbraad, of de poëzie, waar ik in het bijzonder van houd, want zooals Cleanthes zeide, evenals de stem, saamgedrongen in het smalle kanaal van een trompet, er scherper en krachtiger uit te voorschijn komt, zoo komt het mij ook voor, dat de gedachte, geperst in de talrijke voeten der poëzie, zich veel sterker uit en mij een veel heviger schok toebrengt. Wat mijn natuurlijke vermogens aangaat, waarvan hier zal moeten blijken, ik gevoel dat zij gebukt gaan onder de zware taak; mijn denkbeelden en mijn oordeel gaan slechts tastende, wankelende, struikelende en hinkende vooruit; en wanneer ik zoover gekomen ben als ik kan, ben ik in het geheel niet over mezelf voldaan; ik zie nog land in de verte, maar zoo dof en nevelachtig, dat ik het niet duidelijk kan onderscheiden."

Toch al weet Montaigne, naar hij zegt, dat hij zich zelf niet kan vergelijken met zijn geliefde klassieken, zal hij zich geven, zooals hij is : al hebben zijn geesteskinderen een bochel of een zeer hoofd,

Sluiten