Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het in geen meerdere mate van hem, die ze het eerst heeft uitgesproken als van hem, die ze later verkondigde.

Als Plato en ik hetzelfde begrijpen en inzien, behoort het in geen enkel opzicht meer aan Plato dan aan mij."

De laatste uitspraak van Montaigne is merkwaardig, omdat hij hiermee eigenlijk terugkomt op enkele zijner beweringen in „Over schoolvosserij", waarin hij het aanhalen van oudere schrijvers afkeurt. Wil hebben er toen reeds op gewezen, dat hij 't niet zoo sterk bedoelen kon, als hij het daar zeide.

Wij slaan nu een groot stuk van den „essai" over, waarin Montaigne de bovenstaande denkbeelden verder uitwerkt, om de aandacht te vestigen op zijn uitspraken over een verstandige harding bij de lichamelijke opvoeding, meeningen, die wij ook later bij Locke zullen terugvinden.

„Ook is men het er algemeen over eens, dat het niet verstandig is een kind in den schoot der familie op te voeden ; de natuurlijke liefde maakt zelfs de verstandigste te teer en verweekelijkt ze. De ouders zijn niet in staat zijn fouten te kastijden, noch hem kloekmoedig met groven kost te voeden. Zij zouden het niet kunnen dulden, dat hij bezweet en stoffig van zijn lichaamsoefeningen thuis kwam, dat hij iets dronk, dat te heet of te koud was, noch dat hij omgekeerd ging zitten op een paard, noch dat hij met den degen in de vuist tegen een onbeschoften tegenstander optrad, of dat hij het schietgeweer hanteerde. Toch is er geen andere raad op: wie van zijn jongen een man wil maken, moet hem zonder twijfel in de jeugd niet sparen en de regelen der geneeskunde zal

men vaak moeten overtreden.

,,'t Is niet genoeg zijn ziel te stalen, ook zijn spieren moeten gehard worden. De ziel heeft een te zware taak, als zij niet wordt geholpen; zij heeft al te veel te doen met zich zelf: voor twee dingen tegelijk kan zij niet zorgen. Ik weet hoe mijn ziel zichafzwoegt, verbonden aan een zoo teer en zoo gevoelig lichaam, dat alles maar op haar laat aankomen ; en ik bemerk vaak in mijn studie, dat mijn leermeesters in hun geschriften voor geestklacht en stoutmoedigheid doen doorgaan, wat in den grond niets andeis dan een dikke huid of harde beenderen moet worden genoemd.

„Ik heb mannen, vrouwen en kinderen gezien, die zoo waien geboren, dat een afrossing hun minder hinderde dan mij een knip voor den neus; die geen geluid gaven en het gezicht niet vei trokken bij de slagen, die men hun gaf: als athleten met wijsgeeren wedijveren

Sluiten