Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in geduld, is het meer toe te schrijven aan sterke zenuwen dan aan een sterken geest. Want gewend zijn aan het dragen van lasten, is gewend zijn aan het dragen van smart: de arbeid verhardt tegen smart.

„Men moet daarom het kind zwaren en onaangenamen arbeid laten vei richten, om hem zóó, ongevoelig te maken voor verstuiking, koliek, brandmerk en evenzeer voor de gevangenis en voor de pijnbank, want ook aan deze laatste staat hij bloot: in deze tijden staan goeden zoowel als slechten met elkaar gelijk; een wetsverkrachter bedreigt zelfs de braafste menschen het allereerst."

Na deze ontboezeming over de waarde van harding van het lichaam keert Montaigne eensklaps terug tot zijn uitspraak, die de inleiding vormde tot zijn beschouwing over de lichamelijke opvoeding, namelijk: dat het kind niet in den schoot der familie moet worden opgevoed.

„En verder wordt het gezag van den gouverneur, dat onbeperkt moet zijn, gebroken en belemmerd door de tegenwoordigheid der ouders. Dit wordt nog meer geschaad, doordat het geheele gezin met zekeren eerbied tot den zoon des huizes opziet en doordat hij zelf bekend is met de middelen, die zijn ouders bezitten en met het aanzien, waarin zijn huis staat: al deze dingen te zamen zijn op dezen leeftijd waarlijk geen lichte bezwaren bij de opvoeding."

Wij zullen nu verder den „essai" niet op den voet volgen, want om met Montaigne's opvoedkundige denkbeelden bekend te worden, is dit niet noodzakelijk. Hij vervalt herhaaldelijk in uitweidingen, die met de zaak zelf in los verband staan. Wij zullen de voornaamste opvoedkundige gedachten in de orde geven, waarin zij in den „essai vooi komen. Daardoor zal het wel vaak een springen van den hak op den tak wezen, maar door een andere wijze van behandeling, is het vaak moeilijk de denkbeelden van een schrijver volkomen zuiver te houden, en krijgt men ook een geheel verkeerden indruk van den aard van zijn werk.

De eerste opvoedkundige gedachte, waarvoor wij de aandacht vragen, is weer gemeen aan de opvoedkundigen, die tot die zelfde school behooren. Zij maakt het ons begrijpelijk, dat buitengewone karakters in de school der philantropijnen niet zijn gevormd. Montaigne en de philantropijnen stellen zich tevreden en 't is hun ideaal een zekere middelmaat te kweeken: goede brave menschen, die hun naastbijliggenden plicht kunnen vervullen, maar die tot groote dingen niet in staat zijn. „In de school van den handel en den wandel der menschen heb

Sluiten