Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarschijnlijk te Amsterdam in 1670 en werd te Naarden begraven.

Op tweeentwintigjarigen leeftijd trad Comenius als onderwijzer op, om twee jaar later de priesterwijding te ontvangen en tot Predl^"J te worden beroepen. Reeds gedurende zijn studietijd 1608 1614 had de groote roep, die van Ratich's of Ratke's geschrift (De studiorum rectiflcanda rnethodo consilium = raad over de verbeteiing van de methode der studiën) uitging, hem bewogen met dat werk kennis te maken. Dit gaf als 't ware den eersten stoot aan zijn opvoedkundige werkzaamheid: het bewoog hem tot het schrijven van een gemakkelijke grammatica en gaf hem aanleiding van tijd tot tij

ziin gedachten over opvoedkunde op papier te zetten. De meer onmiddellijke aanleiding tot het schrijven van zijn hoofdwerk (wat ten minste door Comenius zelf en ons als zijn hoofdwerk beschouwd wordt: de „Didactica", want voor zijn tijdgenooten was hij de auteur der Janua linguarum) vond hij gedurende zijn verblijf in de Boheemsche

bergen, waarheen hij om de geloofsvervolging had moeten vluchten.

In een der kasteelen aldaar vond hij de didactica van Elias Bodinus. De lezing van dit werk deed hem besluiten een opvoedkunde in het Czechisch te schrijven, in de hoop, dat dit een middel mocht wezen, om het Boheemsche vaderland uit het verval op te heften, as eenmaal de geloofsvervolging ophouden zou. Hij begon er aan in Boheemsche bergen en voltooide het in 1632 te Lissa in Polen, waarheen hij voor de vervolging geweken was. De titel van aic geschrift, waaruit zich eerst later de „Didactica magna i)indeLatijnsche taal ontwikkelde, luidt: „Didactica, d. i. de kunst om goe onderwijs te geven". Het duurde tot 1657, eer de „Didactica in Latijnsche uitgave te Amsterdam verscheen. Wel had Comenius reeds lang het plan gevormd, omdat hij met dit bosk de geheele menschheid dienen wilde, nu hij zijn vaderland er niet meer mee van nut kon zijn, maar eerst na zijn komst te Amsterdam 1656, het laatste toevluchtsoord van den pelgrim, kon hij er toe overgaan in 1657 op kosten van Laurens de Geer, den zoon van den beroemden Amsterdammer en beschermer van Comenius, Lodewijk de Geer, zijn gezamenlijke opvoedkundige werken uit te geven.

De gezamenlijke opvoedkundige werken vormen een lijvigen toliant, die nog slechts in enkele universiteitsgebouwen te vinden

1) De titel der „Didactica magna" is waarschijnlijk een navolging van den titel van Bacon's werk" „Instauratio magna". Comenius stelt Bacon Toch mag men onzes inziens niet beweren, dat de opvoedkundige denkbeelden va Comenius op Bacon's wijsgeerige beschouwingen berusten.

Sluiten