Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid zij", *) zegt hij: „Er kan ook geen voldoende reden zijn, waarom het andere geslacht (om ook dit nog opzettelijk te vermelden) van de studiën der wijsheid (zij het in de Latijnsche taal, zij het in de moedertaal) geheel en al behoort te worden uitgesloten. Want zij zijn evenzeer Gods evenbeeld, evenzeer de genade en de toekomende wereld deelachtig, evenzeer met een levendigen geest begaafd, die voor de wijsheid ontvankelijk is (vaak meer dan ons geslacht), haar staat evenzeer de toegang tot het hoogste open, daar zij vaak tot regeering van staten, tot het geven van heilzamen raad aan koningen en vorsten, tot de geneeskunst en tot andere, aan het menschengeslacht heilaanbrengende dingen, ook tot het prophetisch ambt en tot het toedienen van berispingen aan priesters en bisschoppen door God zelf gebezigd zijn geworden."

Evenmin als vele andere raadgevingen van C. is echter ook deze opgevolgd geworden. Ons land maakt een gunstige uitzondering, daar bijna alle inrichtingen van onderwijs reeds sedert lang ook voor vrouwen openstaan.

Wat moet op de scholen worden onderwezen? Tot de bespreking van deze kwestie gaat C. in het 10<ie hoofdstuk over. Zijn meening geeft hij reeds in den aanvang aldus te kennen: Wij moeten nu aantoonen, dat in de scholen allen in alles moeten onderwezen worde n." Dit heeft men echter niet zoo te verstaan, dat alle menschen alles moeten leeren, wat maar geleerd kan worden, maar niemand op de wereld moet in zijn leven iets ontmoeten, zoo onbekend, dat hij er in het geheel niet over oordeelen kan. De scholen moeten er daarom voor zorgen, dat „I de aanleg ontwikkeld wordt door kennis en vaardigheden, II de talen geoefend en veredeld worden, III de zeden tot zedelijkheid worden gebracht en IV God van harte wordt v e r e e rd." Eenige bladzijden verder wijst C. er nogmaals op, dat dus de taak der school is de verstandelijke, zedelijke en godsdienstige vorming, maar dat men hierbij wel in het oog heeft te houden, dat deze drie nooit van elkaar mogen worden gescheiden. „Een onzalige scheiding dus, indien deze drie dingen niet met een onverbrekelijken band samenhangen."

Hebben de scholen deze taak tot dusverre vervuld?

Dat C. anders oordeelde, blijkt reeds dadelijk uit het opschrift

!) 1 Thnotheus 2 vers 12.

Sluiten