Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schouwde te laten memoriseeren, daarna het te laten begrijpen en wat begrepen is in oordeelen uit te spreken. Men ziet de leertrappen zijn niet iets nieuws, geen nieuwe vinding die met een spottenden glimlach moet worden begroet, maar een oud, opvoedkundig voorschrift, reeds door C. gegeven. Vele, die van al dat nieuwe niets willen weten, dienen te begrijpen, dat zij tot de Middeleeuwen moeten teruggaan, als zij aanhangers willen vinden voor het volgen der oude, beproefde (?) paden.

Naar aanleiding van den zesden regel spreekt C. ook over den tijd, die aan het onderwijs moet worden gewijd. Ons zou dit wel wat weinig zijn, maar men moet niet vergeten, dat de leerlingen in den tijd van C. veel dingen niet behoefden te leeren, die men thans terecht van hen eischt, omdat de wetenschap toen nog op een lageren trap stond. Maar daarenboven C. eischte ook uren voor vrije studie en onze leerlingen worden tegenwoordig wel eens al te veel geleid. Ze worden in onze dagen wel eens te weinig aan zich zelf overgelaten. Door gebrek aan voldoende onderwijzers moesten de leerlingen vroeger zich zelf leeren rekenen, zich zelf leeren opstellen maken. Dat dit bijna stééds gebeurde was verkeerd, maar dat de leerlingen tegenwoordig bijna altijd onder leiding werken is ook niet goed. Het kan geen kwaad als de leerlingen van tijd tot tijd eens zelfstandig moeten werken, zich zelf moeten leeren helpen, terwijl de onderwijzer bijv. voor de klas cahiers met werk van een vorige gelegenheid naziet. Natuurlijk kan dit alleen de onderwijzer doen, die zijn klas volkomen beheerscht, en een man die genoeg plichtsgevoel bezit, om nimmer te verzuimen, het gemaakte werk te corrigeeren. Na deze toelichting zal het duidelijk zijn, dat de raad van C. om slechts vier uur daags aan het eigenlijke onderwijs en evenveel uren aan vrije studie te wijden, niet zoo dwaas is, als dit oppervlakkig wel lijkt.

Aan den achtsten regel, dat alles door zinlijke aanschouwing moet worden geleerd, voegt C. nog een behartigenswaardigen wenk toe, alleen zouden wij slagen door straf willen vervangen. Hij zegt nl.: „Nooit mag slaag gegeven worden voor het leeren, want als er niet geleerd wordt, wiens schuld is het anders dan van den onderwijzer, die of de kunst van onderwijzen niet verstaat, öf zijn best niet heeft gedaan om den leerling leerzaam te maken."

Hiermede zullen wij het wel allen grootendeels eens zijn. Zonder straf kan ook de beste onderwijzer het niet altijd stellen, maar als de onderwijzer straf moet geven, om de leerlingen bij

Sluiten