Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heele leven moeten zoo worden geordend, dat zij een encyclopedie (verzamelwetenschap) vormen, waarin alles uit een gemeenschappelijken wortel is ontsprongen, en waarin alles op zijn behoorlijke plaats staat" (Toel. 8e regel.) „Niets kan grondig zijn, wat niet alzijdig samenhangt" (Toel. 2<ic regel). „Er moet op de scholen niet alleen wetenschap, maar ook zedelijkheid en vroomheid geleerd worden." (Toel. 2<Je regel.)

Als C. over de practische strekking van het onderwijs spreekt, bedoelt hij daarmede niet, dat alles wat in de practijk van het leven voorkomt, ook aan de kinderen moet geleerd worden. Integendeel: hij waarschuwt juist herhaaldelijk tegen overlading. Zijn voorschrift draagt, zouden wij haast zeggen, meer een negatief karakter. Niet alles moet geleerd worden, wat practisch is, maar niets moet worden geleerd, wat de leerlingen buiten de school niet voortdurend kunnen toepassen. Uitvoerige technologische kennis, zooals men die tegenwoordig weer op sommige scholen wenscht aan te brengen, behoort niet tot de leerstof der lagere school. „Bij alles wat opgenomen is, behoort dadelijk te worden bedacht, welke toepassing het kan vinden, opdat niets te vergeefs worde geleerd."

Daarenboven moet de onderwijzer het geleerde voortdurend herhalen. Op drieërlei wijzen kan hij dit doen; 1° Door het stellen van vragen; 2° Door opzettelijk memoriseeren en opschrijven van het geleerde ; 3° Door den leerling vrij te laten voordragen, wat hij geleerd heeft, om hem op deze wijze te laten optreden als onderwijzer van zijn medescholieren.

Het laatste vooral prijst C. zeer aan en werkelijk: het zou geen kwaad kunnen, als de onderwijzer in de hoogere klassen van tijd tot tijd met de leerlingen mee aanzitten ging en één hunner uitnoodigde, de geleerde zaak aan allen duidelijk te maken. De onderwijzer kon op de wijze der leerlingen vragen stellen, als de leerling het vroeger geleerde niet helder genoeg uiteenzette. Wij kunnen ieder aanbevelen den voorslag van C. eens te beproeven.

In het negentiende hoofdstuk zet C. uiteen, hoe de onderwijzer het moet aanleggen, om sneller te leer en. Hoe komt het, vraagt hij zich af, dat de scholen zoo ver ten achter blijven, bij hetgeen men van ze verwachten zou." Acht oorzaken meent hij hiervoor te kunnen aanwijzen.

1° Er werd niet nauwkeurig aangegeven, hoe ver de leerlingen in een jaar, een maand of een dag gebracht moesten worden.

Sluiten