Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zal de onderwijzer echter werkelijk in staat zijn, vruchtdragend onderwijs te geven, dan „moet hij steeds zorg dragen, niet te spreken, als de leerling niet luistert, niet te onderwijzen, als de leerling niet oplet." Opmerkzaamheid kan hij verkrijgen, als hij door een geschikte voorbereiding belangstelling weet te'doen ontstaan; als hij zijn uiterste best doet om zijn onderwijs aantrekkelijk te maken en het een nuttige strekking te geven ; als hij zorgt, dat hij de geheele klas kan overzien; als hij tracht zijn onderwijs zoo veel mogelijk aanschouwelijk te doen zijn; als hij door herhaaldelijk vragen zich overtuigt, dat alle het onderwijs volgen en als hij de vraag aan de geheele klas voorlegt, als één leerling het niet weet; en als hij eindelijk na afloop der les aan een elk de gelegenheid openstelt naar alles te vragen, wat nog niet is begrepen.

Nog een ander middel bespreekt C., om het den onderwijzer mogelijk te maken, een groot aantal leerlingen gelijktijdig te onderwijzen. Het heeft wel eenigszins overeenkomst, met wat wij kennen onder den naam van de Bell-Lancastersche leermethode, maar in het wezen der zaak verschilt het er toch van. Het zal daarom noodig zijn, kort uiteen te zetten, wat men onder de Bell-Lancastersche leermethode verstaat: te meer, omdat in het begin dezer eeuw ook in ons land deze „methode" is aanbevolen.

Beiden Bell (1753—1831) en Lancaster (1778—1838) waren Engelschen: Bell geestelijke der Episcopaalsche kerk te Madras, Lancaster, een kwaker, die door schoolhouden in een der armste wijken van Londen in zijn onderhoud moest voorzien. Beiden stonden voor de noodzakelijkheid een groot aantal kinderen onderwijs te doen ontvangen en beiden ook misten geschikte onderwijzers en het geld, om ze te bezoldigen. Zij kwamen toen op het denkbeeld, Lancaster wellicht in navolging van Bell, uit de leerlingen de beste te kiezen en ze tot leiders van hun makkers te bestemmen. Die leiders (monitors) ontvingen afzonderlijk onderwijs van den onderwijzer der school en daarenboven was hun tot in kleinigheden voorgeschreven, wat ze met hun makkers moesten doen. Betrekkelijk waren de uitkomsten gunstig, maar natuurlijk kon van opvoedend onderwijs, zooals wij dit ons denken, geen sprake zijn : hoogstens kwam men tot werktuiglijk inpompen van eenige noodzakelijke kennis. Lancaster bracht het aantal leerlingen, dat door één onderwijzer geleid werd, zelf tot duizend. In 1811 waren

Sluiten